Thank you! Your submission has been received!

Oops! Something went wrong while submitting the form :(

Cameratips

DSLR: welke kwaliteit en resolutie instellen?

Op digitale camera’s heb je verschillende instellingen voor kwaliteit en resolutie. Simpelweg alles zo hoog mogelijk instellen, dan zit je altijd goed. Of heeft het zin met deze instellingen wat intelligenter om te gaan?

Veel pixels betekent grote beeldbestanden. Simpeler is het niet te zeggen. Maar het is mogelijk beeldinformatie elektronisch samen te vatten. Bij een egaal blauwe lucht bijvoorbeeld is het helemaal niet nodig pixels voor pixels te registreren. Het is mogelijk groepen gelijke pixels samen te registreren, en daardoor kan een beeldbestand flink kleiner worden. Men spreekt van comprimeren of beeldcompressie. Het gebeurt volgens de standaard JPEG.

Beelden met grote egale vlakken kunnen sterker worden gecomprimeerd dan beelden met veel detail en leveren dus kleinere JPEG-bestanden op.

Voor de duidelijkheid: na compressie wordt een beeld kleiner in bestandsomvang, maar het aantal pixels waaruit het beeld is opgebouwd verandert niet. Bevat een beeld veel grote, egale vlakken, dan kan het sterker worden gecomprimeerd dan een beeld met veel fijne details. Vandaar dat JPEG-bestanden zelden exact even groot zijn.

JPEG en kwaliteit

Kunt u de beeldkwaliteit instellen, dan gaat dat altijd over de sterkte van de compressie. Voor de kwaliteitsstand Fijn bijvoorbeeld, wordt vaak een compressie van 1:4 toegepast. Dat is een lage compressie, die vrijwel geen kwaliteitsverlies geeft. In de stand Normaal is de compressie doorgaans 1:8, een stand die goed geschikt is voor algemeen gebruik. Tenslotte heb je dan nog de stand Basis of Economy, 1:16, waarbij de nadruk ligt op zo klein mogelijke bestanden, waarbij kwaliteitsverlies goed zichtbaar kan zijn.

Klik het beeld aan om te zien hoe te sterke compressie de beeldinhoud kan bederven. De gevolgen van te sterke compressie zijn hier extra duidelijk gemaakt, om een duidelijk voorbeeld te kunnen geven.

Het kwaliteitsverlies is terug te vinden in de zogenaamd JPEG-artefacten. In vloeiende verlooptinten zijn dan bijvoorbeeld blok- of streepvormige structuren terug te vinden. Het beeld wordt brokkeliger, rommeliger.

Beeldgrootte

De tweede grootheid die voor het beeld in te stellen is, is de beeldgrootte: het aantal pixels waaruit het beeld wordt opgebouwd. Hoe groter het beeld, des te groter kan het worden geprint of vertoond. Het is duidelijk, dat een beeld groter is, naarmate het meer pixels bevat. Hoe groot het beeld kan worden, is afhankelijk van de resolutie van het outputmedium. Voor drukwerk en hoogwaardige prints wordt een resolutie van 300 dpi aangehouden. Voor afdrukken via fotocentrales en fotografische ink jet printers is vaak een resolutie van 120 tot 200 dpi voldoende. DPI staat voor dots per inch, ofwel pixels per inch. 1 inch is 2,54 cm

Lager instellen?

Stel alles op maximaal in, en je hebt altijd het grootste aantal pixels en de hoogste kwaliteit. Dat bespaart gezeur en teleurstelling achteraf. Op zich een goed standpunt zeker bij de huidige prijzen voor geheugenkaarten. Want voor de prijs van een paar kleinbeeldfilms heb je tegenwoordig 1 gigabyte aan opslagruimte.

Overgaan op een kleiner formaat of lagere kwaliteit heeft vooral zin als je foto’s snel wilt kunnen doorsturen, snel wilt kunnen openen en snel wilt kunnen bewerken. Natuurlijk is het altijd mogelijk van een groot bestand een kleinere kopie te maken. Het kan bij sommige programma’s zelfs in batch, met series foto’s tegelijk. Maar wie digitaal fotografeert maakt vaak veel foto’s en zit doorgaans niet op extra werk te wachten dat voorkomen had kunnen worden.

Dus: weet je bij voorbaat zeker dat de foto’s die je gaat maken alleen op een internetpagina worden gebruikt, dan is het alleen maar lastig om op de hoogste resolutie te werken. Overspelen en openen duurt simpelweg langer.

Non destructive edditing in Aperture, het originele bestand blijft altijd in tact.

Foto’s bewerken

Worden foto’s met de computer bewerkt zorg er dan voor de het oorspronkelijke bestand intact blijft. De nieuwere bewerkingsprogramma’s als Aperture, Lightroom en Capture NX doen dat uit zichzelf. Ze werken volgens de non-destructive methode: het oorspronkelijke bestand wordt niet aangetast, alle bewerkingen worden in een separaat bestand beschreven, en kunnen achteraf ook nog worden bijgesteld.

Wie zo’n programma niet heeft, moet bewerkingen uitvoeren op een kopie. Om zeker te zijn dat daarmee niets fout gaat is het handig de originelen te beveiligen, zodat de functie ‘Bewaar’ niet wordt toegelaten, en opslaan moet plaatsvinden via ‘Bewaar als’.

RAW

Bij RAW-opslag wordt alleen de ruwe beeldinformatie opgeslagen. De verwerking tot een goed kant en klaar beeldbestand, die normaal in de camera gebeurt, kan met een RAW-bestand in de computer plaatsvinden. Je beschikt dan over een zo rijk mogelijk bestand aan beeldinformatie, waarin je van alles kunt wijzigen, zoals kleurbalans, contrast, verscherping, ruisonderdrukking, verzadiging.

Voor de verwerking van RAW-bestanden is allerhande software beschikbaar: zowel zelfstandige software als plugins voor al aanwezige bewerkingsprogramma’s. RAW-bestanden kunnen niet worden gebruikt zolang ze niet zijn verwerkt. Je bent dus verplicht ze af te werken. Gelukkig is het mogelijk vaste instellingencombinaties te maken, die je op groepen opnamen kunt loslaten. Ben je dus niet tevreden over de beeldbestanden die je camera aflevert (bijvoorbeeld omdat er een te sterk ruisfilter wordt toegepast) dan is dit de oplossing.

L. Polder
| 18-07-2007
Kerst trends 2016