Thank you! Your submission has been received!

Oops! Something went wrong while submitting the form :(

Cameratips

Als flitsfoto's tegenvallen

Uitgebeten gezichten, gitzwarte achtergronden, rode ogen, harde schaduwen: veel fotografen hebben met flitslicht een haat-liefdeverhouding. Toch is het doorgaans niet zo moeilijk aangenaam ogende flitsfoto’s te maken. Overigens is de digitale fotografie voor flitshaters natuurlijk een uitkomst. Zonder groot kwaliteitsverlies kun je met de meeste DSLR’s ISO 800 gebruiken. En beeldstabilisatie helpt je het inschakelen van je flitser nog weer verder uit te stellen. Maar laten we het flitslicht niet al te erg afkraken. Met de huidige camera- en flitstechniek kan er erg subtiel worden geflitst.

Flitsen en de achtergrond

Achtergrond te donker

Te donkere achtergronden is de meest voorkomende klacht bij flitsfoto’s. De verklaring is simpel: de flitser stemt z’n hoeveelheid licht af op het onderwerp. De achtergrond ligt verder weg, krijgt daardoor minder flitslicht en wordt dus donkerder.

Conclusie: de achtergrond moet het niet hebben van het flitslicht. Wil je de achtergrond goed laten zien, dan moet je het aanwezige licht benutten. Kies daarom gewoon een hogere ISO-instelling. De achtergronden gaan vanzelf mooi meedoen. Onthoud: een hoge ISO-waarde is niet alleen goed in plaats van flitslicht, maar ook bij gebruik van flitslicht. Doordat de achtergrond doorgaans door kunstlicht zal worden verlicht, ontstaat daar een warme kleurzweem. Die geeft een foto meestal een prettig sfeertje.

foto: Alex de Smit
Nikon D1X en SB-28DX, sluitertijd: 1/25 diafragma F3.5, ISO 640
Een hoge ISO-waarde is niet alleen goed in plaats van flitslicht,
maar ook bij gebruik van flitslicht.

Bij een aangename flitsopname heeft het onderwerp in de voorgrond precies voldoende licht. De achtergrond is wat donkerder, wat de aandacht op het onderwerp concentreert, maar hij toont toch voldoende details.

Hoe hoog stel je de ISO in? Bij een reflex op 400 of 800. Ga je hoger, dan vind je de beeldruis misschien storend.
Bij een compactcamera telt het gevaar voor beeldruis zwaarder. ISO 200 kan doorgaans prima, bij 400 is het soms al oppassen geblazen. Maak eens wat testjes en kijk bij welke instelling je de ruis als storend ervaart. Bij Fuji compactcamera’s met Super-CCD-techniek is ISO 400 straffeloos te gebruiken, hoger is ook nog verrassend goed. Dat merk vormt dus een positieve uitzondering.

Een donkere achtergrond kan ook optreden doordat je in de A-stand fotografeert en een te klein diafragma gebruikt. Is er geen specifieke reden om die A-stand te gebruiken, kies dan altijd voor de P-stand van de camera. De camera zal dan sluitertijd en diafragma afstemmen op een zo goed mogelijke weergave van de achtergrond. Hij zal daarbij geen sluitertijden kiezen die gevaar voor bewegings- of trillingsonscherpte opleveren.
Heb je wel bewust een bepaald diafragma gekozen, bijvoorbeeld f/11 om extra scherptediepte te bereiken, ga dan nog wel een keer na of het echt zinvol is. Natuurlijk kun je een klein diafragma kiezen om behalve het onderwerp ook de achtergrond scherp te krijgen, maar als die door het kleine diafragma te donker wordt, dan heb je daar niet veel aan.
Wil je het jezelf met flitsen makkelijk maken, gebruik dan de P-stand.

foto: Kevin Russ
Een donkere achtergrond is niet altijd fout. Hier werden de sluitertijd zo kort en het diafragma zo klein gehouden dat de achtergrond onderbelicht werd, maar nog wel herkenbaar is.
Flitsen met langere sluitertijd

Nog een handige, directe manier om de achtergrond lichter te krijgen is flitsen met een lange sluitertijd. Normaal zal een camera in de P-stand (en vaak ook in de A-stand) voor flitsen geen langere sluitertijd kiezen dan circa 1/60 seconde, maar met deze functie wel. Hoe lang die sluitertijd wordt, is afhankelijk van de helderheid van de achtergrond. 1/15 of 1/8 seconde heb je al snel. Eigenlijk is dat al te lang voor scherpe foto’s uit de hand (behalve als je camera of objectief beeldstabilisatie heeft), maar omdat het vaak om een toch al onscherpe achtergrond gaat, vallen de nadelen mee.
Bij écht lange tijden krijg je extreme bewegingsonscherpte in de achtergrond; het is beslist de moeite waard hier uitgebreid mee te gaan experimenteren, maar het veroorzaakte effect (scherp onderwerp met vaak duidelijke lichtvegen in de achtergrond) kan ook ongewenst zijn.
Flitsen met lange sluitertijd (ook wel slow sync) wordt ook toegepast in de nachtportretstand die op veel camera’s zit. Wil je het jezelf gemakkelijk maken, gebruik dan deze instelling.

Combinatie van flitslicht en een lange sluitertijd. De gekleurde strepen ontstonden door de reflecties van de gekleurde toneelverlichting in de knoppen op de hals van de gitaar. De flits zorgt voor een scherpe weergave van speler en gitaar. Doordat de sluitertijd lang was, werd de beweging in een waas weergegeven.

Flitsen en het onderwerp

Onderwerp te licht

De meeste digitale camera’s zijn behoorlijk intelligent. Ze stemmen hun flitslicht af op het onderwerp. En het onderwerp, ja, dat is datgene waarop werd scherpgesteld. Ben je wat slordig met richten, of is het onderwerp erg beweeglijk, dan is er misschien op de achtergrond scherpgesteld. Daar stemt de camera z’n flitshoeveelheid dan op af. Alles wat voor de achtergrond staat wordt zo te licht, het onderwerp dus ook. Als je eerst zorgt dat de camera goed scherpstelt kan het probleem al verholpen zijn.

Er kan ook iets anders aan de hand zijn. De duur van de flits bepaalt hoeveel licht het onderwerp krijgt. De kortste flits kan soms nóg te veel zijn als het onderwerp te dichtbij is. Dat heb je bijvoorbeeld bij zeer hoge ISO-waarden. Dan geeft de flitser zelfs met z’n krapste lichtdosis nog teveel licht. Dit komt niet zo gek veel meer voor.
Hiervoor zijn in elk geval wel enkele oplossingen:
1. Lagere ISO-waarde gebruiken.
2. Naar achteren gaan en inzoomen. Vaak neemt daarbij ook de lichtsterkte van het objectief af, wat in dit geval ook gunstig is.
3. Kleiner diafragma gebruiken: stel - in de A-stand - een kleiner diafragma (hogere f-waarde) in.

Het onderwerp is te donker

Is het onderwerp te donker, dan kreeg het te weinig flitslicht. De afstand tussen flitser en onderwerp is dan zo groot, dat de flitser zelfs op vol vermogen onvoldoende licht geeft. Wordt de camera in een volautomatische stand (P-stand, Autostand, onderwerpsstand) gebruikt, dan zijn er twee opties:
1. ISO-waarde verhogen.
2. Opname-afstand verkleinen. Dit levert dubbele winst op:
a. door de kortere afstand gaat er minder licht verloren,
b. door dichterbij te gaan moet je waarschijnlijk uitzoomen, en als je uitzoomt wordt het objectief meestal lichtsterker (het heeft dan een lager f-getal).
Pas je 1 en 2 samen toe, dan ben je ook met de ingebouwde flitser nog heel wat situaties de baas.
Had je zelf het diafragma ingesteld, kies dan een grotere opening (lage f-waarde).

Kom je licht tekort, dan is het plaatsen van een externe flitser de beste optie. Die extra power heb je nodig als je in grote ruimten werkt, en als je indirect wilt flitsen.

Flitscorrectie

Het onderwerp kan ook te licht of te donker worden doordat de flitssturing van de camera zich laat misleiden. Pas in zo’n geval de flitscorrectie toe. Gebruik deze instelling ook om de flitsdosering naar eigen smaak aan te passen. Zet hem bijvoorbeeld op -2 als je maar een klein beetje flitslicht aan het onderwerp wilt toevoegen.

Voor de moderne reflextechniek is een scène als deze geen probleem meer. Vaak kiest de camera in de nachtportretstand (hier gebruikt) automatisch een flitscorrectie (bijvoorbeeld -1) om te zorgen dat het onderwerp er niet overflitst uitziet.

Sfeer weg

Sfeerfoto’s met kerstbomen, haardvuren, met kaarslicht verlichte interieurs: niets is hierbij zo dodelijk als flitslicht. Werk dan indien mogelijk zonder flitslicht. En zet anders de flitscorrectie op –1 of een nog hogere negatieve waarde, zodat het relatief koele flitslicht het sfeerlicht niet overstemt. Deze correctiemogelijkheid komt op compactcamera’s zelden voor.

Rode ogen

Als de as van het objectief bijna samenvalt met de as van het flitslicht, dan is de kans op rode ogen groot. De camera ziet dan de weerschijn van het flitslicht in de ogen. Is de flitser wat verder van de optische as verwijderd, dan is die rode weerschijn niet meer op de foto te zien. Wat helpt er tegen rode ogen?
1. Afstand tussen flitser en objectief groter maken. Bij reflexcamera’s klappen de flitsers al aardig ver omhoog; de afstand is veel groter dan bij compactcamera’s. Bij een externe flitser op een reflex is die afstand nog groter.
2. Afstand tot het onderwerp niet onnodig groot maken. Is de opnameafstand groot, dan lopen beide assen nagenoeg parallel. Hoe dichter je op het onderwerp zit, des te kleiner is de kans op rode ogen.
3. Werk indien mogelijk in een goed verlichte ruimte. Hoe donkerder het is, des te verder staan de pupillen open, en des te eerder krijg je rode ogen.
4. Inschakelen van de voorflits, die de pupillen doet verkleinen. Deze voorflitsmethode is doorgaans redelijk effectief, maar doordat het moment van de opname wordt vertraagd, is deze functie voor serieuze toepassingen ongeschikt.
5. Rode ogen achteraf in de opname corrigeren. In plaats van de voorflits toe te passen is het te overwegen de rode ogen maar gewoon te laten gebeuren en ze achteraf weg te werken. In heel veel beeldsoftware kan dat geheel of gedeeltelijk automatisch, en doorgaans werkt het goed. Bij sommige camera’s is rode-ogencorrectie in de camera uit te voeren, dus na de opname. Handig, want dan komen de foto’s in principe printklaar uit te camera.

Veel beeldbewerkingsprogramma’s hebben een functie voor snel en gemakkelijk corrigeren van rode ogen. Aanklikken of omcirkelen van de rode pupillen is vaak genoeg.

L. Polder
| 19-04-2007
Kerst trends 2016